Rijksarchief in België

Ons collectief geheugen !

FR | NL | DE | EN
Menu

De weldadigheidsinstellingen van Zinnik tijdens het ancien régime

Texte petit  Texte normal  Texte grand
29/11/2022 - Inventarisatie - Publicaties - Rijksarchief te Bergen

De twaalf strekkende meter archief die het Rijksarchief Bergen bewaart over de weldadigheidsinstellingen van Zinnik tijdens het ancien régime is geïnventariseerd. Je vindt er documenten in terug over de leprozerie, het Sint-Jakobshospitaal, het nieuwe hospitaal, het weeshuis en de Armentafel. De inventaris beschrijft daarnaast stukken die werden toegeschreven aan het Officie van de baljuw van Zinnik, een lokale gerechtelijke instelling.

De inventaris die in 1896 werd opgesteld door Amé Demeuldre werd herzien en de beschrijvingen werden aangepast aan de huidige archivistische normen. Zo verdween het hoofdstuk “Varia”, waarvan de onderdelen een plaats kregen in de andere rubrieken.  

De inventaris beschrijft stukken van 1303 tot 1800 over diverse lokale ‘weldadigheidsinstellingen’.

De leprozerie of het gasthuis voor melaatsen, ook Sint-Lazarushuis genoemd, bevond zich aan een uithoek van Edingen, een voorstad van Zinnik. De instelling bestond sinds de 14de eeuw en beschikte over een hoeve, een kapel en een tuin. Na 1636 verbleven er geen melaatsen of andere zieken meer en in 1662 werden de goederen van de leprozerie geïntegreerd in de bezittingen van het hospitaal. De kapel voor de Heilige Maagd bevond zich op een plek die nadien werd ingenomen door de Rijkswacht. Ze werd in 1728 verlaten en afgebroken in 1781.  

Het Sint-Jakobshospitaal werd opgericht in de 13de eeuw en bevond zich buiten de stadsmuren, achter de Bergense Poort, op de hoek van de huidige Stationsstraat en Grégoire Wincqzstraat. Het was tegelijk een armenhospitaal, een gasthuis voor ouderen en een opvangplaats waar pelgrims en armen op doortocht de nacht konden doorbrengen. Begijntjes verzorgden er zieken, op kosten van de armentafel. Het begijnhof bevond zich binnen de stadsmuren, in de rue de Mons. Aan het eind van de 16de eeuw maakten de begijnen plaats voor franciscaner zusters van de derde orde, Grijze Zusters genoemd. In 1507 sloten het kapittel en een afgevaardigde van de franciscaner orde een overeenkomst waarbij het beheer van het hospitaal aan de Grijze Zusters werd overgedragen. Het Sint-Jakobshospitaal had toen twaalf bedden. Er werd ook aan thuisverpleging gedaan. De zusters lieten naast het hospitaal een klooster optrekken. Het klooster en de kapel die zich vandaag aan de Billaumontweg bevinden, werden gebouwd in 1761. Het archief van de Franciscanessen of Grijze Zusters werd door de laatste religieuzen weggeschonken en wordt sinds 2008 bewaard in het Rijksarchief Bergen, waar het ‘ad hoc’ geïnventariseerd werd.

Tussen 1553 en 1605 werd het begijnhof verkocht aan privépersonen. In 1768-1770 bouwde de stad een nieuw hospitaal. Het aantal bedden werd opgevoerd van twaalf naar veertien en in 1793 naar eenentwintig, destijds voor een totale bevolking van Zinnik van 4.500 inwoners. Het nieuwe hospitaal beschikte over een grote ziekenzaal, met aan het uiteinde een kapel, een verwarmde ruimte, een kabinet waar een religieuze kon verblijven en een keuken. Rond de binnenkoer bevonden zich een bakkerij en een wasruimte. De noordelijke gevel was versierd met een houten beeld van de Maagd dat vandaag bewaard wordt in de collecties van het museum Vieux-Cimetière.

Het weeshuis van Zinnik werd in 1583 opgericht door lakenhandelaar Jean Leleup en zijn schoonbroer Jean de Faucuelz, een ‘ontvanger der armen’ die in 1578 zijn vrouw en dochter verloor tijdens een epidemie. Het weeshuis bevond zich aan de rue du Pont, waar later de nijverheidsschool werd opgetrokken (en nadien het technisch lyceum, dat nu wordt verbouwd tot appartementen en een zetel van de Belfiusbank). De kanunniken van het Sint-Vincentiuskapittel hebben talrijke stichtingen opgericht ten voordele van arme weeskinderen. In 1787 verbleven er achttien wezen in het weeshuis. Ze kregen basisonderwijs en werden dan op stage gestuurd. De inkomsten van het weeshuis bestonden voornamelijk uit rentes en interesten van privékapitaal en uit de inkomsten van de pacht van gronden die toebehoorden aan het weeshuis, zo’n 46 hectare.   

De Armentafel (“Communs pauvres” of “Groot Aalmoes” genoemd) was een instelling die instond voor bijstand aan huis. Ze kon gebruik maken van stichtingen die particulieren hadden opgezet ten voordele van de ‘behoeftigen’. Net zoals het hospitaal werd ze beheerd door het kapittel en de stadsmagistraat. De ontvanger van de Armentafel inde de rentes die verschuldigd waren voor de goederen die behoorden tot de instelling. De hulp die werd verleend, was zeer divers van aard.  

Aan het eind van de inventaris wordt archief beschreven dat werd gevormd door het Officie van de baljuw van Zinnik, waarover in 2021 een artikel verscheen in de Annales du Cercle royal d’histoire et d’archéologie du canton de Soignies: L’Office du bailliage de Soignies. Justice et police locales à Soignies au XVIIIe siècle (vol. 43, p.183-244). Het is in dit onderdeel van de inventaris dat gewag wordt gemaakt van het dossier van een alleenstaande moeder die in 1700 kwam bevallen in Zinnik.

De inventaris

Je kan de inventaris online raadplegen via de zoekrobot of downloaden als pdf via de webshop.

NIEBES Pierre-Jean, Inventaire des institutions de Bienfaisance à Soignies sous l’Ancien Régime (1303-1800)reeks Inventarissen Rijksarchief te Bergen nr. 186, publicatie nr. 6321, Algemeen Rijksarchief, Brussel, 2022.

Leestips

www.belspo.be www.belgium.be e-Procurement