Thuispagina | Rijksarchieven | Contact
Het Rijksarchief in België
Thuispagina
Wie zijn we?
Centrale directie
Nationale coördinatiediensten
Archiefbewaarplaatsen
Wat doen we voor u?
Wat bewaren we voor u?
Advies over archiefbeheer
Vrijwilligers
Hoe informatie vinden ?
Onderzoek
Activiteiten
Nieuwtjes
Onze zoekrobots
Zoeken in Archieven
Zoeken in Archieven (vorige versie)
Databanken
Zoeken in Bibliotheken
Zoeken naar personen
Digitale archieven
Bookmarks

Openingsuren
Bezoekersreglement
Tarieven
Wat kan u bij ons kopen?
Reproducties
Publicaties
Nieuwsbrief
FAQ / Help
Vacatures
Sitemap

© 2012 Rijksarchief in België. Alle rechten voorbehouden.


Federaal Wetenschapsbeleid     Belgium
Thuispagina
NL | FR | DE | EN
Rijksarchief - Historiek Afdrukken E-mail
LOUIS-PROSPER GACHARD, BOUWHEER VAN HET BELGISCH RIJKSARCHIEF

'De prins van de Belgische archivarissen'
Louis-Prosper Gachard (1800-1885), de eerste Algemeen Rijksarchivaris van België, was een geëerd man. Het minste wat men inderdaad van hem kan zeggen is dat het hem, zowel tijdens als na zijn leven, nooit aan erkenning heeft ontbroken. Tijdens zijn uitzonderlijk lange loopbaan van zes decennia wist Gachard als geen ander zijn stempel te drukken op de organisatie en werking van het Belgisch Rijksarchief. Zijn talrijke reizen en indrukwekkende bibliografie bezorgden Gachard ook in het buitenland een groot prestige. Bij zijn overlijden was hij lid van meer dan veertig geleerde genootschappen, zowel in België als in een tiental andere Europese landen, en drager van een groot aantal eretekens, waaronder het belangrijke grootofficierschap in de Leopoldsorde. Reeds in 1842 voorzag baron de Reiffenberg (de toenmalige hoofdconservator van de Koninklijke Bibliotheek) hem van de ronkende eretitel van “le César des Archives”. Na Gachards overlijden klonk de lof almaar luider. In een standaardwerk over History and Historians in the Nineteenth Century werd Gachard in 1913 ‘the greatest of Belgian scholars’ genoemd. Tijdens de plechtigheid die op 30 april 1931 werd georganiseerd naar aanleiding van de 100ste verjaardag van de aanstelling van Gachard als hoofd van het Belgische Rijksarchief, roemde de toenmalige Algemeen Rijksarchivaris Cuvelier zijn beroemde voorganger als ‘de dominante figuur van onze nationale geschiedschrijving’. F. Vercauteren bestempelde Gachard in zijn overzicht van honderd jaar nationale geschiedenis uit 1959 als ‘de prins van de Belgische archivarissen’. Hij ontleende deze lofprijzing aan een juryrapport uit 1881. ‘Prins’ en zelfs ‘Keizer’: het is niet min als eerbetuiging. Zijn beide en andere welluidende epitheta terecht? In de volgende bladzijden trachten we een antwoord te verstrekken op deze vraag.

Het begin van een lange loopbaan
Gachard mag, zoals zal blijken uit het vervolg, de grote organisator van het Belgisch Rijksarchief zijn geweest, hij was alleszins niet de stichter ervan. De verre oorsprong van deze instelling dient gesitueerd in de Oostenrijkse tijd, toen men zich voor het eerst ernstig heeft bekommerd om het lot van het archief van de verschillende regeringsinstellingen. In december 1773 werd graaf Jean-Baptiste Goswin de Wynants (1726-ca. 1800) aangesteld tot eerste en meteen ook laatste directeur général van een Bureau d’Archives, dat op zeer schuchtere wijze een eerste centralisatie beoogde van het overheidsarchief. Diepgaander maatregelen kwamen er echter met de Franse revolutionairen die twee vernieuwende wetten uitvaardigden. De wet van 7 messidor jaar II (25 juni 1794) voerde de oprichting in van een centraal archief voor de hele Republiek. Ze proclameerde ook het fundamentele revolutionaire principe dat het archief van de natie ter beschikking van de burgers werd gesteld. In toepassing van het decreet van 5 brumaire jaar V (26 oktober 1796) werd bovendien in de hoofdplaats van elk departement een centrale archiefbewaarplaats opgericht waarin alle overheidsarchief zou worden samengebracht. Op 3 pluviôse VI (22 januari 1798) kwam er zo’n centraal archiefdepot te Brussel. Het was een prille kern van wat later het Algemeen Rijksarchief zou worden.
Het idee van een gecentraliseerde archiefruimte bleek vruchtbaar. Tijdens het Koninkrijk der Nederlanden werden er twee centrale archiefbewaarplaatsen ingericht, een in Den Haag voor het Noorden en een in Brussel voor het Zuiden, het latere België. In 1814 werd Pieter-Jan L’Ortye, een vroeger functionaris van de Oostenrijkse regering, aangesteld tot secrétaire-archiviste van de Brusselse archiefbewaarplaats. Toen de hoogbejaarde L’Ortye in 1831 weigerde de eed af te leggen aan de nieuwe Belgische staat werd hij vervangen door een zekere Louis-Prosper Gachard.
Gachard was van Franse afkomst. Geboren in Parijs op 12 maart 1800, verhuisde hij op 17-jarige leeftijd met zijn vader naar Doornik die er een tabakshandel opende. Zijn moeder was reeds overleden toen hij vier was. In datzelfde jaar van zijn aankomst begon Gachard zijn loopbaan als typograaf of leerling-letterzetter bij de stedelijke drukkerij Casterman waar hij het weldra zou schoppen tot opzichter. Twee jaar later werd hij aangesteld tot adjunct-secretaris van het stadsbestuur van Doornik en daar ontstond zijn eerste belangstelling voor archief. Op de archiefzolders van het stadhuis vond de jonge Gachard, die overigens in 1821 tot Belg was genaturaliseerd, niet alleen zijn roeping, maar ontkiemde ook de ambitie van een loopbaan als archivaris. Geen inspanning was de zelfbewuste en energieke jongeman voortaan te veel om zijn doel te bereiken. Zo benaderde hij verschillende politici en hogere ambtenaren en deinsde hij er niet voor terug om de secretaris van Staat en zelfs Willem I, koning der Nederlanden, aan te schrijven. Gachards inzet werd uiteindelijk beloond want op 21 juni 1826 werd hij benoemd tot secrétaire-archiviste-adjoint bij het Rijksarchief te Brussel. Verschillende factoren hebben geleid tot deze aanstelling. Zeker was er Gachards uitstekende reputatie als een hardwerkend, begaafd en dus veelbelovend iemand. Ook de aanbevelingen van hooggeplaatste personen zoals een Charles Le Hon, schepen van Doornik, afgevaardigde van het Nationaal Congres en nadien gevolmachtigd minister in Parijs of een Louis Van Gobbelschroy, de Minister van Binnenlandse Zaken van het Koninkrijk der Nederlanden, hebben uiteraard hun effect niet gemist. Maar minstens zo belangrijk is de wetenschap dat Gachard in 1826 handig inspeelde op bepaalde verzuchtingen binnen de complexe kerkpolitiek van Willem I. Een aantal topambtenaren en politici in het Zuiden hielden in het amalgaam van het Koninkrijk der Nederlanden hardnekkig vast aan het denkbeeld van een eigen Eglise belgique, een soort nationale kerk waarin het gezag van Rome stevig werd teruggeschroefd ten voordele van een soeverein staatsgezag. Gachard bleek in de ogen van deze ultramontaanse oppositie een geschikte aanwinst. In zijn kandidatuur had hij immers gereveleerd dat hij reeds geruime tijd werkte aan een groot historisch werk over de ‘Belgische Kerk’.
Vol enthousiasme stortte Gachard zich op het onmetelijke werk dat in het Rijksarchief op hem wachtte. Hij trof er de massa’s archiefstukken namelijk aan in een deplorabele toestand. Die situatie was deels het gevolg van de grote brand in het nabijgelegen paleis van de prins van Oranje eind december 1820. Ook de verhuizing – twee jaar later – van het archief naar het Justitiepaleis, in het gedeelte van het vroegere jezuïetenklooster dat op de Strostraat en op de Grote Zavel uitgaf, was niet bevorderlijk geweest voor de goede ordening. Toch loste de kersverse archivaris de verwachtingen in. Nauwelijks had Gachard zijn ambt aanvaard of hij kon in september 1826 aan Van Gobbelschroy reeds een verslag voorleggen over de verschillende bestanden van het Rijksarchief Brussel en hun stand van inventarisatie.

De energieke patron van het Rijksarchief
Enig politiek opportunisme was Gachard zeker niet vreemd. Hoewel Gachard tijdens de Hollandse Periode in een toneelstuk en in enkele gedichten de lof van de Nassaus en van Willem I had gezongen, keerde hij zich na de Belgische revolutie tegen het orangistische regime en stapte hij over naar het Voorlopig Bewind. Hij verliet het Rijksarchief en werd op 4 oktober 1830 door het Voorlopig Bewind aangesteld tot secretaris-generaal van het departement Financiën. Enkele maanden later promoveerde hij zelfs tot afdelingshoofd op het gelijknamige Ministerie. Maar zijn ware roeping was het archief en mede dankzij stevig lobbywerk kon hij op 30 april 1831 de veel minder lucratieve functie van adjunct-archivaris weer opnemen. De ambitieuze Gachard werd nog geen drie maanden later reeds aangesteld als hoofd van het Rijksarchief (20 juli 1831).
Zoals enkele jaren voordien, bij zijn aanstelling tot adjunct, kon Gachard nogmaals, na nauwelijks enkele maanden, een gedegen rapport voorleggen. Deze Notice sur le dépôt des Archives du Royaume, die in december 1831 in druk werd gegeven, is ook vandaag nog een kostbaar hulpmiddel voor de geschiedenis van het Algemeen Rijksarchief en voor de aard, omvang en inventarisatie van de bestanden op dat ogenblik. Het is tekenend voor Gachards beleid dat niet alleen de inhoud van het Rijksarchief, maar ook de organisatie volop zijn aandacht zou genieten. Onmiddellijk na zijn benoeming stelde Gachard aan de regering voor om het Brussels archiefdepot te reorganiseren. In het Koninklijk Besluit van 24 mei 1832 kreeg hij grotendeels wat hij vroeg. Behalve een hoofdarchivaris (Gachard zelf) zou de wetenschappelijke staf bestaan uit twee afdelingshoofden en verder zoveel bedienden als de hoofdarchivaris zelf nodig achtte. Het begrip ‘wetenschappelijke staf’ dient uiteraard terdege gerelativeerd. Evenmin als Gachard zelf hadden de afdelingshoofden een wetenschappelijke opleiding genoten. Sommigen hadden, in tegenstelling tot hun chef, wel een universitaire titel op zak. Verder zouden de hele duur van Gachards lange loopbaan de bedienden, weliswaar onder toezicht van de archivarissen, zich met ordening, transcriptie en zelfs beschrijvingen bezig houden. Een aantal archivarissen zou ten andere zijn loopbaan als bediende beginnen. Het besluit van 1832 gaf Gachard uiteraard veel vrijheid. Te veel in de ogen van sommigen. In een nieuw Koninklijk Besluit van 26 september 1835 kreeg hij niet alleen een adjunct naast zich die hem o.a. moest vervangen bij ziekte of afwezigheid. Ook zijn macht werd teruggeschroefd ten voordele van de invloed van de Minister van Binnenlandse Zaken. Al werd Gachards absolute vrijheid hierdoor beperkt, het besluit belette niet dat de Algemeen Rijksarchivaris – term die pas vanaf 1859 ingeburgerd geraakt – het Rijksarchief als het ware als een persoonlijk leengoed op vrij autoritaire wijze bestuurde tot zijn dood in 1885.
Toen Gachard de leiding kreeg over het Brusselse archiefdepot was dit nauwelijks meer dan de centrale provinciale archiefbewaarplaats die het reeds onder de Fransen was. Behalve Brussel hadden enkel de provinciehoofdplaatsen Luik (1796), Bergen (1819) en Gent (1829) een eigen archiefdienst. Gachard wist langzaam maar zeker een echt netwerk van provinciale Rijksarchieven uit te bouwen. Hierdoor evolueerde het Rijksarchief te Brussel van een enigszins geïsoleerd provinciaal depot tot een soort zenuwcentrum, een overkoepelende dienst van waaruit de richtlijnen vertrokken naar de verschillende provinciale depots. Het vroegst had hij succes in Brugge (1834), vervolgens kregen ook Namen (1849), Aarlen (1851) en Hasselt (1869) een eigen provinciaal luik van het Rijksarchief. Ook Doornik had van 1834 tot 1895 een rijksarchiefdienst. Enkel in de provincie Antwerpen, waar een Rijksarchief pas in 1896 de deuren opende, zou Gachard tot zijn spijt en ondanks zijn inzet nooit een vertegenwoordiger hebben. In 1851 werden de verschillende Rijksarchieven in de provincies rechtstreeks onder leiding van de Algemeen Rijksarchivaris gebracht. Vandaag bestaat deze situatie onveranderd verder, waardoor het Belgische Rijksarchief ongetwijfeld één van de meest gecentraliseerde archiefdiensten ter wereld kan worden genoemd.
De nieuwe archiefdiensten werden probleemloos opgevuld met nieuw archief. Voor een deel was dit archief afkomstig van aankopen, giften, vrijwillige neerleggingen en ruil. Tussen 1856 en 1871 ruilde Gachard ijverig dubbels met archiefstukken die afkomstig waren uit steden als Aat, Antwerpen, Brugge, Dendermonde, Diest, Diksmuide, Doornik, Gent, Ieper, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Turnhout, Veurne e.a. Of een dergelijke ruil een goede zaak was, valt vanuit archieftheoretisch standpunt te betwijfelen. Niet alleen vertrok op die wijze waardevol overheidsarchief (de vermeende dubbels die in werkelijkheid vaak afwijkende versies van een archiefstuk waren) en arriveerden te Brussel massa’s archief die in wezen vreemd waren aan de werking van de centrale overheid. Gachard trachtte ook de ministeries ervan te overtuigen hun archief over te dragen aan het Rijksarchief. Hier botste hij voortdurend op de onwil en zelfs op het verzet van de administraties die om redenen van vlotte toegankelijkheid hun archief liever zelf bewaarden. Door ambtelijke onverschilligheid ging op die manier heel wat ministerieel archief verloren.
Vele aanwinsten waren ook het resultaat van restituties. Reeds in Doornik had Gachard een bijzonder talent ontwikkeld voor het opsporen van nationaal archief dat door oorlogen, diefstal, gebiedsafstand en andere redenen in het buitenland was verzeild geraakt. Gedurende zijn hele carrière zou hij zich dan ook inzetten om dergelijk archief op te sporen, te beschrijven en terug te vorderen. De Algemeen Rijksarchivaris toonde zich hier vaak van zijn sterkste kant. Door een combinatie van onvermoeibare inzet, grondige terreinkennis, geduldige onderhandelingen en uitgebreide diplomatieke contacten slaagde hij erin om voor het Belgisch Rijksarchief tal van kostbare archieven te recupereren. Alleen al vanuit Wenen vonden in de jaren 1857-1866 meer dan 5300 charters de weg naar Brussel. De terreinkennis van Gachard – die vaak deze van de plaatselijke archivarissen overtrof – was het gevolg van zijn ontelbare reizen. In een tijd waarin reizen vaak een echte onderneming was, doorkruiste Gachard heel Europa op zoek naar bronnen. Daarbij ging het hem niet enkel om archief dat rechtmatig deel uitmaakte van het Belgische archieferfgoed. Ook buitenlands archief dat in zijn ogen interessante informatie bezat voor de nationale geschiedenis kreeg al zijn aandacht. In tal van Europese archieven verzamelde hij in vaak moeilijke omstandigheden een schat aan materiaal dat hij kopieerde of liet kopiëren en dat hij beschreef in lijvige rapporten. Zijn speurtocht naar archieven bracht hem in een indrukwekkende reeks landen: Frankrijk (Atrecht, Besançon, Dijon, Dowaai, Metz, Parijs, Rijsel); Spanje (Madrid, het Escorial, Simancas); Nederland (Den Haag); Duitsland (Aken, Berlijn, Düsseldorf, München); Oostenrijk (Wenen); Bohemen (Praag) en Italië (Florence, Genua, Milaan, Napels, Rome, Turijn, Venetië). Gachard was een van de eerste buitenlandse historici die onophoudelijk wees op het belang voor België van het archief bewaard te Rijsel, tot 1667 een Vlaamse stad en zetel van de beroemde Rekenkamer met haar heuse goudmijn aan financieel archief. Als eerste buitenlandse wetenschapper bezocht Gachard op 11 september 1843 het toen nog in een waas van geheimzinnigheid gehulde Archivo General de Simancas bij Valladolid. Vijf jaar later publiceerde hij een uitgebreid, maar niettemin selectief archievenoverzicht als inleiding op de uitgave van de briefwisseling van Filips II over de Opstand in de Nederlanden. In zijn spoor zouden vele buitenlandse historici de weg naar Simancas vinden. Ook het beroemde Archivio segreto in Vaticaanstad mocht Gachard tot zijn bezoekers rekenen. In de jaren 1867-1868 werkte hij in de Vaticaanse archieven die op dat ogenblik niet toegankelijk en veel meer dan later inderdaad ‘geheim’ waren.
Van de massa archiefbescheiden die dankzij de inspanningen van Gachard werden overgebracht naar het Rijksarchief, waren talrijke stukken afkomstig uit vochtige kelders of stoffige zolders. Veel kostbare rekeningen, brieven van beroemde personages en eeuwenoude perkamenten oorkonden waren aangetast door schimmelvorming of deels beschadigd door wateraantasting of brand. Blijkbaar wist Gachard minister Charles Rogier van de noodzaak van een restauratieatelier te overtuigen, want in 1859 zette deze het licht op groen voor de inrichting van een dergelijk atelier in het Rijksarchief te Brussel. Ook de inspanning die Gachard leverde om het Rijksarchief te voorzien van een heuse bibliotheek, wierp op termijn vruchten af. Bezat het Rijksarchief in 1831 slechts enkele oude boeken over recht en rechtspraak, in 1866 beschikte het over een wetenschappelijke bibliotheek met 6300 werken. Gachards uitgebreide contacten en uitstekende public relations in binnen- en buitenland hadden een ware toevloed van publicaties op gang gebracht.

Een onvermoeibaar inventarisator
Het volstaat niet archief te bewaren, het moet ook toegankelijk worden gemaakt. Een dergelijke opvatting lijkt vandaag vanzelfsprekend, maar was het helemaal niet rond 1830. Het siert Gachard dan ook dat hij snel en efficiënt grote en belangrijke delen van het hem toevertrouwde archief heeft opengesteld voor een ruim publiek van geïnteresseerden. Reeds in 1837 rolde het eerste, lijvige deel met de minutieuze beschrijving van honderden registers, delen en banden van de oude Rekenkamers van de persen. Met de regelmaat van een klok zouden andere, al even indrukwekkende inventarissen volgen. Het korte tijdsverloop tussen Gachards benoeming en de publicatiedatum van de eerste inventaris wijst erop dat een deel van het werk reeds door Gachards voorganger, de oude L’Ortye, was verricht. Het hoge tempo waarin de andere inventarissen op de markt werden gebracht, toont bovendien aan dat Gachard onmogelijk de enige auteur kon zijn geweest. Beide vaststellingen doen nauwelijks afbreuk aan de geleverde prestatie. Toen de archivarissen van de Archives départementales du Nord te Rijsel in 1865 hun eerste inventaris – een inventaire sommaire dan nog wel – publiceerden, hadden Gachard en medewerkers alleen voor de Rekenkamers reeds haast 30.000 rekeningen door middel van monumentale inventarissen toegankelijk gemaakt. Later zouden daar nog ongeveer 15.000 rekeningen bijkomen en werden ook andere archiefbestanden van een gedrukte inventaris voorzien. De kwantiteit van het geleverde werk is indrukwekkend. Hoe staat het met de kwaliteit? Was Gachard als archivaris een kind van zijn tijd of net zijn tijd vooruit?
Opvallend is dat Gachard in de praktijk geen trouwe aanhanger blijkt te zijn geweest van het principe van het ‘respect des fonds’, dat in de 19de eeuw werd geïntroduceerd in de archiefwetenschap. Dit archivistisch basisbeginsel schrijft onder meer voor dat het archief van een persoon, bedrijf, familie, administratie, instelling, kortom van een archiefvormer, in de eerste plaats een organisch gegroeid geheel is dat enkel mag bestaan uit archiefstukken die door de archiefvormer zelf tijdens de uitoefening van de taken en opdrachten zijn ‘gevormd’, versta ontvangen of zelf opgesteld. Stukken die niet aan deze criteria beantwoorden, dienen uit het archief te worden verwijderd. Het principe werd voor het eerst officieel verwoord in 1841 door de Franse archivaris Natalys de Wailly tijdens diens werkzaamheden in de Archives nationales te Parijs. Maar voorafgaand aan deze formulering waren onder meer in Napels (1812), het Groothertogdom Toscane (1822) en de Pauselijke Staat (1839) officiële voorschriften uitgevaardigd met betrekking tot de toepassing van het ‘respect des fonds’. In Nederland werd het beginsel in 1826 expliciet toegelicht als uitgangspunt bij de inventarisatie van de archieven van de vijf Utrechtse kapittels. In België werd dit archiefprincipe als het ware bij wet opgelegd in het Koninklijk Besluit van 17 december 1851. Nochtans werd het de facto reeds vroeger toegepast, bijvoorbeeld door Gachards voorganger L’Ortye in 1830 voor de ordening van het archief van de Grote Raad van Mechelen. Uit talrijke voorbeelden blijkt echter dat Gachard zelf in de dagdagelijkse archiefpraktijk geen heil zag in het beginsel, maar de voorkeur gaf aan de aanleg van artificiële verzamelingen. Gachards manie voor collectievorming blijkt bijvoorbeeld uit zijn behandeling van kaarten en plattegronden, die lukraak uit allerlei bestanden werden getrokken en in een kunstmatig geheel bij elkaar gebracht. Hij heeft het bewuste principe evenmin toegepast voor het grootste bestand in het Algemeen Rijksarchief, dat van de oude Rekenkamers. Gachard introduceerde talrijke reeksen van rekeningen die compleet vreemd waren aan het bestand omdat ze afkomstig waren uit stadsarchieven of uit de archieven van de Provinciale Staten. In beide gevallen werd archief van diverse archiefvormers lukraak ondergebracht bij een andere archiefvormer. Wie vertrouwd is met het archief van de Rekenkamers zal ook andere tekortkomingen vaststellen. Rekeningen in de vorm van registers en rekeningen in de vorm van rollen werden uit elkaar gehaald, papieren stukken werden gescheiden van de stukken op perkament, bewijsstukken bij de rekeningen vaak verwezen naar een restbestand. Ook de administratieve briefwisseling van de Rekenkamers werd zwaar verminkt. Niet alleen werden inkomende en uitgaande brieven van elkaar gescheiden, in een aantal gevallen werden samengeraapte stapeltjes brieven stevig ingebonden zodat nieuwe – en onverantwoorde – archiefeenheden werden gecreëerd. Vaak gebeurden dergelijke brutale aanslagen op de integriteit van de bestanden en hun stukken door medewerkers, maar Gachard droeg natuurlijk de eindverantwoordelijkheid.
De enkelingen die in de eerste helft van de 19de eeuw het ‘respect des fonds’ consequent bij de inventarisatie toepasten, zorgden (nog) niet voor een nieuwe lente. Daarom was Gachard in veel van wat hij binnen zijn archiefinstelling ondernam een typisch kind van zijn tijd. Dat het nochtans ook anders kon, bewijzen de inventarissen van de Archives départementales du Nord te Rijsel die voor de Rekenkamers wél het nodige respect opbrachten voor de integriteit van het archief. Rekeningen, registers of rollen, werden net als briefwisseling, bewijsstukken en dossiers in eenzelfde bundel gelaten en zo beschreven. Toch stonden Gachards inventarissen van de Rekenkamer in vele landen model. Men loofde de uitvoerige inleiding op de eigenlijke inventarissen, de grondige institutionele studie, de gedetailleerde beschrijving van de stukken. Het dient gezegd dat ook vandaag de inventarissen nog dagelijks kostbare diensten bewijzen in de leeszaal van het Algemeen Rijksarchief.
Met het binnenhalen van steeds meer overheidsarchief, werd het Algemeen Rijksarchief ook verantwoordelijk voor de eventuele vernietiging ervan. Niet alle archief verdient immers eeuwigdurende bewaring. Selectie met het oog op vernietiging is een delicaat proces en het is zonneklaar dat Gachard een aantal praktijken heeft toegepast die vandaag zonder meer onaanvaardbaar zouden zijn. Zo heeft zijn opvatting dat louter aanvullende en in detail tredende informatie mocht worden vernietigd, ertoe geleid dat binnen de boekhoudkundige bewijsstukken van de Brusselse Rekenkamer talrijke hiaten zijn vast te stellen. Plaatsgebrek, de slechte toestand van de stukken, hun niet langer duidelijk aanwijsbaar bestuurlijk nut... waren even zoveel slechte argumenten om archiefstukken te vernietigen. Gachard was hier eens te meer deelgenoot van gebruiken die in zijn tijd schering en inslag waren. Anderzijds dient toegegeven dat hij ook trachtte richtlijnen te formuleren om het probleem van de archiefvernietiging zoveel mogelijk te onttrekken aan de willekeur die doorgaans heerste bij de administraties.
Hoewel of omdat hij zelf autodidact was, zag Gachard het nut in van een degelijke archiefopleiding. Reeds in 1825, toen hij nog in het stadhuis van Doornik werkte, diende hij bij de koning een voorstel in voor de oprichting van een archiefschool (Bureau d’Archives) naar het voorbeeld van de enkele jaren vroeger gestichte Parijse ‘Ecole des Chartes’. De jonge en ambitieuze Gachard vond zichzelf de geknipte man om een dergelijke instelling te leiden. In 1847 werd het voorstel van Gachard min of meer werkelijkheid, toen bij de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis een Paleografisch Bureau werd opgericht. De hoofdmedewerker van het Bureau moest paleografie onderwijzen en verder de projecten van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis (over deze commisie straks meer) ondersteunen met transcripties, tekstanalyses en vertalingen. Het Bureau zou, door het vroege overlijden van de hoofdmedewerker maar ook door gebrek aan middelen, nooit het niveau van de Franse ‘Ecole des Chartes’ evenaren en werd reeds in 1868 opgedoekt.

Een invloedrijk historicus
Het belang van Gachard voor het archiefwezen staat buiten kijf. Maar zelfs de uitgebreide organisatorische en wetenschappelijke verantwoordelijkheden voor een snel expanderende instelling als het Belgische Rijksarchief volstonden duidelijk niet voor Gachards tomeloze energie. Naast of tussen zijn werk als diensthoofd, organisator, archivaris en rusteloos archiefexplorator vond Gachard ook voldoende tijd voor de redactie van een welhaast gigantisch historisch oeuvre, voerde hij een uitgebreide correspondentie met collega’s, onderzoekers, kunstenaars en politici in heel Europa, zetelde hij in tal van comités en genootschappen, en slaagde hij erin om via allerlei formele en informele kanalen een heus netwerk van contacten en relaties uit te bouwen. Op die manier verzekerde de Algemeen Rijksarchivaris zich van een prominente rol in het historisch bedrijf van zijn tijd. Nergens komt Gachards invloed zo goed tot uiting als in de twee belangrijkste wetenschappelijke organismen van de jonge Belgische staat, de Academie en de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis.
De Academie die tijdens de Oostenrijkse tijd was opgericht, verdween onder het Frans bewind, maar werd in 1816 onder de Hollanders opnieuw in het leven geroepen met als naam ‘Académie des Sciences et Belles-Lettres de Bruxelles’. Gachard was vanaf november 1837 correspondent en vanaf mei 1842 membre ordinaire ou titulaire. In 1860 en 1864 was hij directeur van de Klasse der Letteren, in 1860 zelfs president van de Academie. Al snel vormden de publicaties van de Academie een van zijn geliefkoosde actieterreinen. Niet zozeer de Mémoires van de Klasse der Letteren echter want daarin werden vooral syntheses gepubliceerd, een vorm van geschiedschrijving die Gachard niet lag. In het Bulletin of het tijdschrift van de Academie daarentegen publiceerde hij tussen 1839 en 1882 liefst een honderdtal kortere notices en communications, vaak niet meer dan uitgeschreven versies van een voordracht.
Nog belangrijker was Gachards rol in de prestigieuze Koninklijke Commissie voor Geschiedenis. Ook van deze instelling gaat de voorgeschiedenis terug tot de Hollandse tijd. Op 12 juni 1827 had Willem I een nationale commissie opgericht om handschriften van kronieken op te sporen en uit te geven. De Commissie van 1827 verdween met de revolutie van 1830, maar de instelling die op 22 juli 1834 door Leopold I werd opgericht, beschouwde zichzelf als haar intellectuele erfgenaam. Hoewel Gachard nooit officieel deel had uitgemaakt van de Hollandse commissie, had hij wel degelijk een belangrijk aandeel in het hele initiatief. Het was daarom niet meer dan de logica zelve dat hem in 1834 werd gevraagd om toe te treden tot het septemviraat dat de nieuwe Commissie gestalte gaf. Gachard was eerst schatbewaarder van de Commissie en zou vanaf mei 1850, na de dood van baron de Reiffenberg, secretaris worden. Hij bleef dit tot zijn overlijden. Aanvankelijk ging de belangstelling van de zeven leden louter uit naar kronieken en andere zogenaamde litteraire bronnen als dagboeken, reisverhalen, mémoires en dergelijke. Op initiatief van Gachard werd het actieterrein echter verruimd tot niet-literaire bronnen zoals oorkonden of rekeningen. De Rijksarchivaris had binnen zijn eigen instelling immers het groot belang van dergelijke brontypes leren waarderen. Gachards brede archiefbelangstelling kwam ten andere ook tot uiting toen in juli 1846 de ‘Commission pour la Publication des Anciennes Lois et Ordonnances’ (thans de Koninklijke Commissie voor de Uitgave der Oude Wetten en Verordeningen van België) boven de doopvont werd gehouden. Gachard werd de eerste secretaris en kreeg in het tijdschrift van deze nieuwe Commissie ruimschoots de gelegenheid edities van allerhande wetteksten en andere normatieve bronnen te stimuleren. Binnen de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis droeg ook een tweede koerswijziging overduidelijk zijn stempel. Het hoogtij van de romantiek was ervoor verantwoordelijk dat de Middeleeuwen bij de oprichting van de Commissie een glansrol kregen toebedeeld. Het was de verdienste van Gachard om geleidelijk ook de studie van latere eeuwen op het programma van de Commissie te plaatsen. Die optie was het gevolg van Gachards eigen voorkeur voor de 16de eeuw.
Wie het historisch wereldje van toen overschouwt, kan niet anders dan besluiten dat Gachard samen met zijn collega’s uit de stads-, provincie- en rijksarchieven de voornaamste trends bepaalde. Archivarissen regeerden oppermachtig binnen de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis en waren onder de historici de grootste groep in de Klasse der Letteren van de Academie. Archivarissen stippelden de grote projecten uit, legden de thema’s en prioriteiten vast, verdeelden de budgetten en vooral, beheersten met hun publicaties de markt van de geschiedschrijving. Gachard was hun boegbeeld. Niet alleen zijn ambt maar ook zijn talrijke functies, reizen, projecten, initiatieven en vooral publicaties hadden daarvoor gezorgd. Wat zijn publicaties betreft, voelde Gachard evenmin als zijn collega’s archivarissen veel voor het grote synthesewerk. Als archivaris die elke dag werd geconfronteerd met historische documenten koesterde hij een heilig ontzag voor wat hij in de stukken las. Het leggen van stoutmoedige verbanden tussen schijnbaar geïsoleerde feiten, het ontwarren van een kluwen van afhankelijke en onafhankelijke veranderlijke factoren, en het formuleren van gewaagde hypotheses waren hem niet alleen vreemd, maar konden in zijn ogen op weinig bijval rekenen. Wat voor hem telde, was de strikte rapportering van de feiten zoals hij ze meende te ontwaren in de overgeleverde teksten. Het best voelde de archivaris zich daarom thuis bij zijn vertrouwde tekstuitgaven die hij, zonder duidelijk gestructureerd of vooropgezet plan, in een duizelingwekkend tempo op de markt bracht. Uit veel van deze tekstuitgaven blijkt zijn fascinatie voor de politieke en diplomatieke geschiedenis van de woelige periode van de Tachtigjarige Oorlog. De titels van enkele van zijn belangrijkste werkenzijn veelzeggend: Correspondance de Guillaume le Taciturne (6 delen, verschenen in 1847-1866); Correspondance de Philippe II sur les affaires des Pays-Bas (5 delen, verschenen in 1848-1879); Actes des Etats généraux de 1600 et de 1632-1634 (3 delen, verschenen in 1849-1866); Don Carlos et Philippe II (2 delen, 1863); Correspondance de Marguerite d’Autriche, duchesse de Parme, avec Philippe II (3 delen, 1867-1881). In tegenstelling tot vele van zijn belgicistische, anti-Hollandse of anti-protestantse collega's had hij hierbij ook oog voor het noordelijk deel van de Nederlanden dat zich precies tijdens die oorlog zou afscheiden van het katholieke Zuiden.
Toch was niet iedereen even enthousiast over de tekstuitgaven van Gachard. De hoge eisen die door de Duitse historische school sinds ca. 1810 aan tekstedities werden gesteld, gingen aan de Duitsonkundige Gachard immers volledig voorbij. Vele edities vertonen min of meer ernstige tekortkomingen. Zo bleef Gachard vaag over de selectie die hij toepaste, gaf hij niet steeds de meest betrouwbare of authentieke versie van een tekst uit en verzuimde hij vaak in een kritisch voetnotenapparaat verslag uit te brengen over een mogelijk afwijkende lezing.

Besluit
Zaterdagochtend 26 december 1885. Talrijke prominenten uit de politiek, de magistratuur, de ambtenarij, het leger en de wereld van wetenschap en kunst hebben de winterkou getrotseerd om in de woning van Gachard een laatste groet te brengen aan de twee dagen eerder overleden Algemeen Rijksarchivaris. Tijdens de verschillende lijkredes werden steeds opnieuw dezelfde kwaliteiten en verwezenlijkingen van de overledene geroemd: zijn bijzondere toewijding en inzet, zijn streven naar waarheid en objectiviteit, zijn organisatorische talenten, zijn bekommernis voor de ontwikkeling van een provinciaal archiefnetwerk, zijn exploratie in buitenlandse archieven, zijn engagement in wetenschappelijke commissies. Het eerbetoon, hoewel geïnspireerd door het bijzondere van het moment, was volkomen terecht. Gachard was inderdaad de onbetwiste keizer en prins onder de Belgische archivarissen, de ware bouwheer van het Belgisch Rijksarchief. Ook J. Cuvelier had gelijk toen hij Gachard in 1931 een dominante plaats toedichtte in de nationale historiografie. Alleen was die dominantie op dat ogenblik reeds een halve eeuw voorbij. In veel opzichten was Gachard immers een typisch exponent van de geschiedenisbeoefening in een bepaald tijdvak. Het was de periode waarin archivarissen de hoofdrollen speelden op de historische scène, de tijd van de enthousiaste autodidacten die, vaak zonder leerschool, methode en kritische zin, maar gewapend met oneindig veel enthousiasme en energie het vak van historicus bedreven. Aan het eind van Gachards leven kwam er ook een einde aan dat tijdperk. Jonge professoren, gevormd in de nieuwste historische technieken, namen de rol van de archivarissen over. Aan hun universiteiten moderniseerden zij vanaf 1875 het historisch bedrijf, tegen het einde van de 19de eeuw kregen ze ook het overwicht in de wetenschappelijke commissies.

Maar Gachard zou deze overgang niet meer beleven. Zijn indrukwekkende begrafenisplechtigheid vond plaats in de Onze-Lieve-Vrouwekerk aan de Zavel. Daarna werd hij begraven op het kerkhof van Evere waar een hoog grafmonument vandaag de bezoeker attendeert op zijn laatste rustplaats.

Erik Aerts en Lieve De Mecheleer

Beknopte bibliografie
AERTS E. en DE MECHELEER L., ‘Le César des Archives’: archivistiek en historiografie in de eeuw van Gachard, in Bibliotheek-& Archiefgids, 2003, 79, 3, p. 24-35.
CUVELIER J., Gachard (Louis-Prosper), in: Biographie nationale, XXIX, Brussel, supplément tome Ier (1956), kol. 585-608.
JANSSENS G., L.-P. Gachard en de ontsluiting van het Archivo General de Simancas, in Liber Amicorum Dr J. Scheerder. Tijdingen uit Leuven over de Spaanse Nederlanden, de Leuvense universiteit en historiografie, Leuven, 1987, p. 313-341.
ONGHENA S., ‘Le prince des archivistes’. Intellectuele biografie van Louis-Prosper Gachard 1800-1885, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven, Faculteit Letteren, Departement Geschiedenis, 2004, 163 p.
ROEGIERS J., Hollandse regeerders en ‘Belgische Kerk’. Achttiende-eeuwse invloeden op koning Willems plannen tot kerkelijke organisatie, in Colloquium over de geschiedenis van de Belgisch-Nederlandse betrekkingen tussen 1815 en 1945. Brussel, 10-12/12/1980. Acta, Gent, 1982, p. 29-43.
WELLENS R., Études et travaux relatifs à la vie et à l’oeuvre de Louis-Prosper Gachard. Une approche bibliographique, in Paviot J. (ed.), Liber amicorum Raphaël de Smedt (Historia, 3), Leuven, 2001, p. 415-422.

Laatst geupdate ( Tuesday 17 April 2007 )
 
[ terug ]