| Nos moteurs de recherche | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
|
|
|
|
|
|
© 2012 Archives de l'État en Belgique. Tous droits réservés. |
| Archives de l'État à Bruges - Historique |
|
|
|
Sinds zijn oprichting in 1798 als bewaarplaats voor het archief van de afgeschafte instellingen van het Ancien Régime was plaatsgebrek en tekort aan geschoold personeel een permanente zorg. Noch het gebouw van de voormalige Proosdij van Sint-Donaas op de Burg noch de toegewezen lokalen in het paleis van het Brugse Vrije, in gebruik als gerechtsgebouw, schonken voldoening. Het Ministerie van Justitie en de Rechtbank waren trouwens niet gelukkig met dit nabuurschap vermits deze laatste op haar beurt om uitbreiding verlegen zat. Vanaf 1872 werd uitgekeken naar een aangepaste huisvesting. Uiteindelijk reikte Baron Ruzette, goeverneur van West-Vlaanderen, in 1896 de oplossing aan. Aangezien het stadsarchief van Brugge weinig geestdrift toonde om zijn intrek te nemen in de veel te ruime Poortersloge stelde hij volgende ruil voor: het stadsarchief zou zich vestigen boven het in aanbouw zijnde postgebouw terwijl het Rijksarchief naar de Poortersloge verhuisde. Bij akte van 28 november 1896 behielden zowel de stad Brugge als de Belgische Staat de naakte eigendom over resp. de Poortersloge en het postgebouw, doch ze ruilden elkaars vruchtgebruik. Met een zucht van verlichting noteerde conservator Jules Colens: Aldus wordt tot voldoening van alle vrienden van wetenschappen en letteren een te lange voorlopige periode afgesloten, bezaaid met talloze onzekerheden en waarbij een belangrijke provinciale en nationale instelling genoodzaakt was een deel van gebouwen te betrekken waarvoor een andere dienst minachtend zijn neus zou hebben opgetrokken. Het ressort van het Rijksarchief te Brugge strekte zich van meet af aan uit over het territorium van het Leiedepartement, vanaf 1815 opgevolgd door de provincie West-Vlaanderen. De oprichting van een arrondissementeel Rijksarchief te Kortrijk in 1964, op grond van het koninklijk besluit van 28 november 1963, wijzigde deze toestand. De inkrimping van het ressort van het Rijksarchief te Brugge betrof alle gemeenten in het huidige gerechtelijke arrondissement Kortrijk en alle instellingen die er voor 1795 hun zetel hadden. Tenslotte werd bij vastlegging van de taalgrens nog het archief van de kasselrij Waasten naar het Rijksarchief te Doornik overgeheveld. Anderzijds noopte de sterke aangroei van het hedendaags archief van ministeriële 'buitendiensten', en van regionale en lokale overheidsdiensten en het naderende plaatsgebrek in de Rijksarchieven tot inhoudelijke herschikkingen der ressorten. De archieven van alle niet-lokale archiefvormers van na 1830 werden aldus naar het Rijksarchief te Beveren overgebracht. Te Brugge betrof dit hoofdzakelijk de bescheiden van de ministeries van Justitie (rechtbanken, burgerlijke stand en parochieregisters als retroakten bij voorgaande) en van Financiën (hypotheekkantoren, registratie en domeinen), en het archief van het provinciebestuur jonger dan 1875. Sinds kort biedt het afsluiten van contracten van bewaargeving tussen het Algemeen Rijksarchief en gemeente- of stadsarchieven ook aan lokale besturen de mogelijkheid om, mits voldaan is aan bijzondere voorwaarden, bepaalde bestanden ter plaatse in raadpleging te geven. Zo werd het archief van de kasselrij Ieper in 1993 naar het stadsarchief te Ieper overgebracht. De aard, de aangroei en de omvang van de te Brugge bewaarde archiefbestanden waren en zijn in grote mate afhankelijk van historische omstandigheden die hun bewaring in de hand werkten, en van de toepassing van de archiefwetgeving. Zoals hoger vermeld vormde de Franse archiefwetgeving de aanzet tot de uitbouw te Brugge van een 'nationale' openbare archiefbewaarplaats in het ressort van het Leiedepartement, vervolgens van de provincie West-Vlaanderen. In de fase van oprichting wenste men de inbeslaggenomen archieven van de afgeschafte instellingen zoals bisdommen, abdijen, kloosters, broederschappen en gilden, kasselrijen, heerlijkheden en ambachten in de nieuwe bewaarplaatsen bijeen te brengen. Hoofdbekommernis was vooralsnog het doeltreffend beheer van de genationaliseerde (domein)goederen, zoals blijkt uit de omzendbrief van de minister van binnenlandse zaken van 5 germinal jaar VI (25 maart 1798). De opdracht van de bijzondere ambtenaren aangesteld om deze archieven te verzamelen en te inventariseren werd echter reeds op 7 maart 1802 beëindigd. Zijzelf erkenden in hun rapport de teleurstellende resultaten van hun optreden. Reden hiervoor was de evidente onwil bij de voormalige griffiers van de afgeschafte administraties en heerlijkheden om de archieven die ze nog steeds in hun bezit hadden aan de nieuwe instellingen af te staan. Onduidelijkheden in de wetgeving bezorgden hen voldoende motieven tot uitstel. Vooral de dubbele bevoegdheid van de oude bestuursinstellingen, nl. administratief en gerechtelijk, speelde hierbij een grote rol. Bovendien was in de nieuwe bewaarplaatsen nog geen sprake van een bewust archiefbeheer, althans niet volgens de hedendaagse normen. Er was trouwens gebrek aan inzicht, organisatie, geschoold personeel en geschikte gebouwen. Slechts de archieven van de kasselrijbesturen van het Brugse Vrije, van Ieper, van Kortrijk en van de Acht Parochies, van de Brugse ambachten, van enkele afgeschafte kloosters en van enkele heerlijkheden uit de Brugse regio w.o. Male en Vijve, Sijsele, het Proosse en het Kanunnikse werden overgedragen. Voor sommige onder hen gebeurde dit zelfs slechts zeer gedeeltelijk. Heel wat (gerechtelijke) bescheiden van schepenbanken van kasselrijen, steden, gemeenten en heerlijkheden werden anderzijds bijeengebracht op de griffies van de rechtbanken van eerste aanleg te Ieper en te Kortrijk. Van de archieven van de afgeschafte kloosters in de arrondissementen Ieper, Kortrijk en Veurne was in 1802 echter nog steeds geen spoor teruggevonden. Hoewel vanaf 1806 schijnbaar weinig vooruitgang werd geboekt bij de opvordering van de oude archieven groeide de bewustwording van de historische waarde ervan, niet alleen voor zuiver wetenschappelijk onderzoek of belangstelling, doch ook als ondersteuning van de staatsidee. In 1826 wenste koning Willem het historisch onderzoek te stimuleren "ter bevordering van de vaderlandsliefde, versterking van de burgerzin en van de nationale identiteit in de Nederlanden". De inventarisatie van de oude archieven in de bewaarplaatsen op provinciaal en gemeentelijk niveau was voor hem een noodzakelijke voorwaarde. De oprichting van het provinciaal archief te Brugge in 1837 en vooral de reorganisatie onder de koepel van het Algemeen Rijksarchief te Brussel in 1851 bracht mettertijd een stroom van overdrachten van 'genationaliseerde' archieven van voor 1795 op gang. Dit werd vooral merkbaar vanaf 1865, getuige hiervan de registratie van de aanwinsten. Samengevat onderscheidt men een aantal kanalen langswaar bescheiden - van enkele losse stukken tot omvangrijke blokken - het Rijksarchief te Brugge bereikten. In uitvoering van de bestaande wetgeving droegen het provinciebestuur en de griffies van de rechtbanken van eerste aanleg van Brugge, Ieper, Kortrijk, en Veurne tussen 1852 en 1872 zowel de administratieve als gerechtelijke archieven van de voormalige kasselrijbesturen over, evenals de griffiearchieven van de steden en heerlijkheden binnen hun ressort. Anekdotisch maar tevens tekenend voor de toenmalige archiefzorg was de ontdekking in 1868, n.a.v. verbouwingswerken, van een volledig afgesloten en onbekende archiefbewaarplaats op de verdieping van het gerechtsgebouw met een omvangrijke hoeveelheid ongeordend oud archief, w.o. minstens 257 registers. Niet minder belangrijk waren de regelmatige toezendingen van archiefstukken of -bestanden door het Algemeen Rijksarchief dat een aktieve acquisitiepolitiek voerde en anderzijds niet aarzelde om wat onterecht te Brussel werd bewaard over de provinciale bewaarplaatsen te herverdelen. Hiernaast besteedden de Algemene Rijksarchivaris en de Brugse conservators bijzonder veel aandacht aan aankopen van archief(stukken) bij openbare veilingen of rechtstreeks bij de aanbieder. Overdrachten door particulieren vormden een regelmatige bron van aanwinsten. Anonieme schenkingen verborgen in werkelijkheid de restitutie van oude archieven door afstammelingen van voormalige griffieambtenaren, bijv. zoals de registers met rekeningen van de Grote Tol te Brugge in 1865. Tenslotte waren er de talrijke schenkingen van (kleine) familiearchieven, vaak uit adellijke of gegoede middens, waarin delen van heerlijkheidsarchieven voorkwamen. Vanaf het laatste kwart van de 19de eeuw begonnen openbare besturen zoals gemeenten hun oud archief over te dragen. Dit was vaak het resultaat van inspectieopdrachten door archivarissen. Sint-Joris-ten-Distel, Jabbeke en Loppem beten in 1878 de spits af. Van zijn kant liet het provinciebestuur van West-Vlaanderen in 1904 en 1911 zijn archief uit de periode 1794-1830 naar het Rijksarchief overbrengen nadat de eigendomsafstand in 1884 was geregeld. Neerleggingen tot 1940 volgden nog. De laatste pieken in de aanwinst van archieven grepen plaats in de onzekere periode die het uitbreken van de oorlog in 1940 voorafging en gedurende die oorlog zelf, en tenslotte in uitvoering van de Archiefwet van 1955. Vanaf 1956 maakten ministeriële diensten, gemeentebesturen, kerkfabrieken, rechtbanken en andere openbare besturen hiervan massaal gebruik om hun meestal slecht bewaard archief aan het Rijk over te dragen en de lasten verbonden aan een degelijke archiefbewaring van zich af te schuiven. Sinds enkele jaren wijst de Algemene Rijksarchivaris alle betrokken besturen - provincies, gemeenten en OCMW's - op hun wettelijke verplichtingen inzake eigen archiefbeheer. Inspecties ter plaatse en regelmatige contacten met de verantwoordelijken zijn één der middelen om op termijn gunstige resultaten te boeken. Op dit ogenblik bewaart het Rijksarchief te Brugge ongeveer 6.000 strekkende meter archief. |
|
| Dernière mise à jour : ( 19-10-2006 ) |